B2 – Overzicht gebruik voegwoorden

In onderstaand schema vindt u een overzicht van de gebruikte voegwoorden op B2-niveau. Wil u hiermee oefenen? Oefeningen hiervan zijn terug te vinden in module 1 – B2. Mocht u vragen hebben, kunt u altijd contact met mij opnemen door mij een bericht te sturen.

Opsomming: en, evenals

Tijd: voordat, nadat, terwijl, alvorens, als, toen, sinds

Tegenstelling: maar, echter, desondanks, ondanks dat, ofschoon, hoewel, alhoewel

Oorzaak/ gevolg: doordat, zodat, dus

Conclusie: dus, zodat

Toelichting/ gevolg: zoals

Voorwaarde: als, mits, tenzij, indien, op voorwaarde dat

Doel/ middel: door…te

Reden/ verklaring: want, omdat, zodat, aangezien

 

Oefening 1

Vul het juiste voegwoord in. Kies uit: omdat, als, toen, terwijl, voordat, nadat, zodat, sinds, aangezien, hoewel, ofschoon, ondanks dat, mits, tenzij

Let op: 2 woorden hoef je niet in te vullen. Er zijn meerdere opties mogelijk.

  1. Het is warm buiten. We gaan zwemmen, ____________ we lekker afkoelen.
  2. Ik ga met jou mee naar de stad________ het gaat regenen.
  3. ___________ ik de taal erg lastig vind, zal ik doorgaan met studeren.
  4. ________ het ermee eens bent, verplaatsen wij de vergadering van morgen naar volgende week.
  5. We verplaatsen de vergadering van morgen naar volgende week, ___________ jij het ermee eens bent.
  6. ________________ het einde van het schooljaar nadert, begin ik met de voorbereiding op het examen.
  7. Het staatsexamen was erg moeilijk___________________ ik me erg goed had voorbereid.
  8. ________________ ik net in Nederland woonde, vond ik het erg moeilijk om vrienden te maken.
  9. ________________ ik naar bed ging, heb ik mijn tanden gepoetst.
  10. __________ drie jaar heb ik een nieuwe baan. Ik ben er erg blij mee.
  11. _____________ wij hadden gegeten, hebben we een film gekeken.

Ik ben naar de bioscoop gegaan_____________ ik geen zin had.

Oefening 2

Vul het juiste voegwoord in. 

  1. _____________ we hadden ontbeten, heb ik me gedoucht (tijd).
  2. Ik ga op de fiets naar mijn werk, ___________ het regent (tegenstelling).
  3. __________ ik op de fiets naar mijn werk ga, ben ik 10 kilo afgevallen (tijd).
  4. Dit gebeurde in 1 maand, ________ ik elke dag 5 km fietste (oorzaak/ gevolg).
  5. Mijn vrouw werd er ook blij van. _________ ik zoveel afviel, wilde zij ook gezonder gaan leven (oorzaak/ gevolg).
  6. We aten nieuwe gerechten________ dronken geen frisdrank meer (opsomming).
  7. De kilo’s vlogen eraf ____________ we deze nieuwe levensstijl aanhielden (voorwaarde).
  8. Mensen reageerden verbaasd ________ ze ons zagen fietsen (tijd).
  9. Maar dat kon ons niet schelen, __________ hierdoor werden we wel gezond (reden)!
  10. Dat kon je van hen niet zeggen, ______________ mensen met overgewicht ons uitlachten (reden).
  11. Ook merkte ik dat ik veel meer sjans had, ____ dit waren best wel mooie dames (opsomming).
  12. ______________ ik deze sjans een goede boost voor mijn ego was, heb ik er nooit op gereageerd (tegenstelling).
  13. Dat zou ik mijn vrouw nooit aandoen. _________ wij getrouwd zijn, ben ik de gelukkigste man van de wereld (tijd).
  14. Zij al vast ook meer sjans hebben gehad, ___________ verwacht ik niet dat zij erop heeft gereageerd (tegenstelling).
  15. Al met al voelen we ons veel gelukkiger __________ we veel lekkerder in ons vel zitten (opsomming).

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.