• +31 97023229333
  • info@detaalschool.com

B1 – Schrijven

Het werkboek: Alle grammatica op B1-niveau.

Het werkboek dat hoort bij ons grammaticaboek: ‘Alle grammatica op B1-niveau’.

Het boek bevat meer dan 200 grammatica-oefeningen gebaseerd het ERK en het ABCD-model van Neuner.

Het boek is geschikt voor zelfstudie, maar ook voor in de klas.

 

Pre-order het hier met korting.

Totaal: € -

De terugkeer van de caravan (B1)

Opeens vinden we de caravan weer helemaal leuk. Wat is het fijne van zo’n huisje op wielen en waarom maakt-ie nu een comeback?

Je eigen vakantiehuisje dat je overal neer kunt zetten. Het is weer helemaal hip. Jarenlang werden we hier liever niet in gezien, maar inmiddels omarmen we de caravan weer. In oktober 2017 telde Nederland 548.898 caravans en campers. Dit aantal is zonder twijfel opgelopen. Vanwaar die comeback? Karin Horstman, oprichtster van het blog I love kamperen ziet meerdere redenen.

Karin gaat geregeld op pad met de caravan. Ze vindt het een groot voordeel dat je vaker in het jaar weg kan. ‘In de zomer gaan we een paar weken naar Italië of Frankrijk. Daarnaast gaan we in de weekenden vaak naar de natuur. Dit is ongeveer een uurtje rijden van ons huis. Om even weg te zijn van alle drukte en beslommeringen.’

We verlangen naar ‘even helemaal niets’ vertelt trendwatcher Truus Dokter. ‘We willen weer terug naar de basis. Genieten van de natuur. Een caravan geeft je veel vrijheid hierin. Als je het op een plek niet meer leuk vindt, hang je je vakantiehuis achter de auto en zoek je een andere plek. Net zoals een moderne nomade.’

Truus Dokter vertelt ook dat veel mensen geen luxe meer zien in veel bezitten en veel geld verdienen, maar in veel vrijheid en een minder stressvol leven. Volgens Truus is dit ook te zien aan de opkomst van tiny houses. In een caravan of een camper voel je al een beetje hoe dat is.

Woordenlijst

1. terugkeer = terugkomst, comeback
2. omarmen = accepteren, het is weer welkom
3. meerdere = meer dan een
4. geregeld = regelmatig
5. beslommeringen = zorgen over wat je moet doen
6. nomade = iemand die zwerft
7. bezitten = wat van jou is
8. de opkomst = de groei

De tekst + woordenlijst printen? Dat kan hier: B1 – De terugkeer van de caravan

Oefenen met voegwoorden #1 (B1) + link om te printen

  1. Hoewel __________________, ga ik toch naar mijn werk.
  2. Kyra gaat naar bed, nadat _______________________.
  3. Ik ga vandaag niet werken, want ___________________________.
  4. Ik spreek de man aan, zodra _______________________.
  5. Totdat ________________________, blijf ik in bed liggen.
  6. Als___________________________, zou je een feest moeten geven.
  7. Ik luister naar mijn favoriete muziek, terwijl _____________________.
  8. Hans en Kimberly zijn verliefd, dus __________________________.
  9. Ik zal mijn huiswerk maken, zodat __________________________.
  10. Omdat we niet getrouwd zijn, _________________________________.

Printen? Dat kan hier: Voegwoorden #1 B1

Lesidee #2: ‘vraag om een overnachting via couchsurfing’ (B1-B2)

Lesidee #2

Let op: deze opdracht is het meest geschikt voor expats. Couchsurfing is (helaas) niet in het Nederlands beschikbaar. Zorg er dus voor dat je deze opdracht uitvoert bij cursisten waarvan je weet dat ze Engels kunnen lezen.

Couchsurfing is het grootste internationale netwerk dat gebaseerd is op gastvrijheid. Je kunt gratis lid worden van deze website (www.couchsurfing.com). Als je lid bent kun je andere leden om een overnachting op hun bank vragen. Ook kun je aangeven of jij plek hebt om andere mensen op jouw bank te laten overnachten.

Maak een gratis account aan op couchsurfing. Laat je cursisten via jouw account inloggen op couchsurfing. Leg uit wat dit is en laat ze even rondkijken.

Opdracht 1
Laat je cursisten zoeken naar de stad waar ze zijn opgegroeid. Wat zien ze? Zijn er veel couchsurfers die een bank aanbieden? Hoeveel leden willen naar deze plek reizen? Welke evenementen zijn er te vinden? Zou je deze evenementen aanraden?

Opdracht 2
Laat je cursisten nu zoeken naar de stad waar ze graag heen zouden willen. Wat zien ze dan? Zijn er veel couchsurfers die een bank aanbieden? Zijn er veel leden die binnenkort naar deze plek reizen? Wat voor soort evenementen zijn er? Zou je deelnemen aan deze evenementen als je naar deze stad zou gaan? Waarom wel/niet?

Opdracht 3
Als je naar de stad van opdracht 2 zou gaan, zou je dit dan doen via Couchsurfing? Waarom wel/niet?

Bespreek samen hoe je een goede e-mail kan schrijven om te zorgen dat jij mag blijven slapen bij een lid. Bespreek samen de opbouw van de mail en een aantal goede voorbeeldzinnen.

Laat je cursisten nu een e-mail schrijven naar een lid om te vragen voor een overnachting.

Daarin moet de cursist vermelden:

  • Twee redenen waarom hij geschikt is om bij die persoon te overnachten
  • Waarom hij couchsurfing gebruikt
  • Hoelang hij van plan is om te blijven
  • Waarom hij naar deze stad wil komen
  • Aan welke evenementen hij wil deelnemen als hij in de stad is

Loop ondertussen rond om de cursisten te helpen met het samenstellen van de brief. Bespreek de brieven gezamenlijk.

Hoeven of moeten? (A2 – B1) + link om te printen

Dit lesmateriaal is ingezonden door Natasja Andringa.

 

Hoeven en moeten

Morgen hoef ik niet te werken.           –          Ik moet mijn bureau opruimen.

 

HOEVEN

Hoeven is een hulpwerkwoord. ‘Hoeven’ gebruik je dus in combinatie met een infinitief. Bovendien moet je vlak vóór dat infinitief het woordje ‘te’ toevoegen.

‘Hoeven’ gebruik je altijd in een negatieve context:

–  in zinnen met een ontkenning, dus in combinatie met de woordjes ‘niet’, ‘geen’, ‘niets’, ‘niemand’, ‘nooit’ of ‘nergens’

  • Ze hoeft niet meer te werken.
  • We hoeven niemand te verwittigen.

– in combinatie met woorden die door hun betekenis negatief geladen zijn.

(‘nauwelijks’, ‘amper’, ‘alleen maar’, ‘zelden’)

  • Ik hoef dit weekend nauwelijks iets te doen.
  • We hoeven alleen maar te bellen.

 

MOETEN

‘Moeten’ is eveneens een hulpwerkwoord. Je gebruikt het in combinatie mét een infinitief, maar zónder ‘te’. In tegenstelling tot ‘hoeven’ kan je ‘moeten’ in alle contexten (positief en negatief) gebruiken.

  • Hij moet de boeken terugbrengen naar de bibliotheek.
  • Je moet niet zo zeuren!
  • Waarom moet hij dringend vertrekken?

 

 

Hoeven of moeten?

De betekenissen van ‘hoeven’ en ‘moeten’ liggen dicht bij elkaar. Toch is er een verschil. ‘Hoeven’ is namelijk zachter dan ‘moeten’.

‘Moeten’ benadrukt de noodzaak van een situatie: de situatie controleert jou en je hebt weinig te kiezen. Bij ‘hoeven’ heb je zelf meer controle over de situatie en heb je een grotere keuzevrijheid.

Je hoeft morgen niet langs te komen. (= Het is niet nodig dat je langskomt maar je mag wel. Je beslist zelf. Ik doe de deur open als je aanbelt.)

Je moet morgen niet langskomen. (= Blijf morgen weg. Ik wil niet dat je komt. Als je het toch doet, sta je voor een gesloten deur.)

 

 

Wil je deze uitleg printen? Dan kan hier: hoeven-of-moeten-theorie

Deel 1.1: voorbereiding op staatsexamen I schrijven – online programma

Deel 1.1 – voorbereiding voor Staatsexamen I – schrijven

 1. Geef antwoord op de vragen.

Voorbeeld:

Wat doe je als de zon schijnt?

–          Als de zon schijnt, ga ik picknicken.

Wanneer ga je het staatsexamen maken?

–          Als ik genoeg geleerd heb.

  1. Waarom huppel je vandaag door de straat?
  2. Waar ga je heen als je op vakantie gaat?
  3. Wanneer vind je dat je goed Nederlands praat?
  4. Wat doe je als het regent?
  5. Wat doe je morgenmiddag?
  6. Wanneer ga je naar een feestje?
  7. Waarom ga je vroeg slapen?
  8. Waarom ben je zenuwachtig?
  9. Wat doe je als er geen les is?
  10. Wanneer ben je heel moe?
  11. Wanneer eet je heel veel?
  12. Waar wil je wonen als je een plek op de wereld mocht kiezen?
  13. Wat zou je doen als je kon toveren?
  14. Wanneer ben je verdrietig?
  15. Waarom zou je nieuwe kleren willen kopen?
  16. Wat doe je terwijl je eet?
  17. Wat doe je als je verliefd bent?
  18. Waar ga je sporten?
  19. Wanneer ga je sporten?
  20. Waarom leer je Nederlands?
  21. Wat doe je na het eten?
  22. Wat doe je voordat je gaat slapen?
  23. Welke dag van de week vind je het fijnst? Waarom?
  24. Wat doe je als je je vrienden ziet?
  25. Wanneer ga je werken?

2.
Stel je voor: je wil op vakantie. Je geliefde kan niet mee. Je wil graag dat een vriendin meekomt. Je moet haar overtuigen om met jou mee om vakantie te gaan. Je gaat naar Zweden. Geef drie goede argumenten waarmee je haar kan overtuigen.

Schrijf de brief. Denk aan de juiste voegwoorden.

 

 

 

1
Spring naar toolbar