• +31 97023229333
  • info@detaalschool.com

A2 – Spreken

Spreekkaart (A2)

Download hier de spreekkaart om te oefenen voor het inburgeringsexamen:

spreken A2 kaart

Maak de zinnen af (A2) + link om te printen

 

 

 

 

  1.  Mijn vriendin is zwanger, dus____________________________________________
  2.  Morgen ga ik naar de sportschool en______________________________________
  3.  Thomas gaat op reis om______________________________________________
  4.  Sinterklaas komt aan in Nederland als______________________________________
  5.  Ik hou niet van regen, want_______________________________________________
  6.  Vanavond kijken we een film en___________________________________________
  7.  Wij gaan naar een makelaarskantoor om____________________________________
  8.  Deze film trekt me aan, omdat___________________________________________
  9.  Ik bied je een kopje thee aan, dus__________________________________________
  10.  Mijn opa is overleden, maar_______________________________________________
  11.  Gabriëlla gaat vanavond uit, want__________________________________________
  12.  Na kerstmis zullen wij op vakantie gaan, omdat_______________________________
  13.  Jullie lezen een boek als__________________________________________________
  14.  Dirk drinkt na zijn voetbaltraining een drankje of______________________________
  15.  Er bestaan veel insecten. Vroeger__________________________________________
  16.  Ik begrijp de opdracht niet, dus____________________________________________
  17.  Na het examen ga ik op vakantie, want______________________________________
  18.  Ik ben ziek, dus_________________________________________________________
  19.  Ik ga naar de supermarkt om______________________________________________
  20.  De stroopwafels vind ik het lekkerst, omdat__________________________________

Wil je deze zinnen printen? Dat kan hier: zinnen afmaken (A2)

Hoeven of moeten? (A2 – B1) + link om te printen

Dit lesmateriaal is ingezonden door Natasja Andringa.

 

Hoeven en moeten

Morgen hoef ik niet te werken.           –          Ik moet mijn bureau opruimen.

 

HOEVEN

Hoeven is een hulpwerkwoord. ‘Hoeven’ gebruik je dus in combinatie met een infinitief. Bovendien moet je vlak vóór dat infinitief het woordje ‘te’ toevoegen.

‘Hoeven’ gebruik je altijd in een negatieve context:

–  in zinnen met een ontkenning, dus in combinatie met de woordjes ‘niet’, ‘geen’, ‘niets’, ‘niemand’, ‘nooit’ of ‘nergens’

  • Ze hoeft niet meer te werken.
  • We hoeven niemand te verwittigen.

– in combinatie met woorden die door hun betekenis negatief geladen zijn.

(‘nauwelijks’, ‘amper’, ‘alleen maar’, ‘zelden’)

  • Ik hoef dit weekend nauwelijks iets te doen.
  • We hoeven alleen maar te bellen.

 

MOETEN

‘Moeten’ is eveneens een hulpwerkwoord. Je gebruikt het in combinatie mét een infinitief, maar zónder ‘te’. In tegenstelling tot ‘hoeven’ kan je ‘moeten’ in alle contexten (positief en negatief) gebruiken.

  • Hij moet de boeken terugbrengen naar de bibliotheek.
  • Je moet niet zo zeuren!
  • Waarom moet hij dringend vertrekken?

 

 

Hoeven of moeten?

De betekenissen van ‘hoeven’ en ‘moeten’ liggen dicht bij elkaar. Toch is er een verschil. ‘Hoeven’ is namelijk zachter dan ‘moeten’.

‘Moeten’ benadrukt de noodzaak van een situatie: de situatie controleert jou en je hebt weinig te kiezen. Bij ‘hoeven’ heb je zelf meer controle over de situatie en heb je een grotere keuzevrijheid.

Je hoeft morgen niet langs te komen. (= Het is niet nodig dat je langskomt maar je mag wel. Je beslist zelf. Ik doe de deur open als je aanbelt.)

Je moet morgen niet langskomen. (= Blijf morgen weg. Ik wil niet dat je komt. Als je het toch doet, sta je voor een gesloten deur.)

 

 

Wil je deze uitleg printen? Dan kan hier: hoeven-of-moeten-theorie

1
Spring naar toolbar