• +31 97023229333
  • info@detaalschool.com

Tagarchief staatsexamen

Oefenen met voegwoorden #1 (B1) + link om te printen

  1. Hoewel __________________, ga ik toch naar mijn werk.
  2. Kyra gaat naar bed, nadat _______________________.
  3. Ik ga vandaag niet werken, want ___________________________.
  4. Ik spreek de man aan, zodra _______________________.
  5. Totdat ________________________, blijf ik in bed liggen.
  6. Als___________________________, zou je een feest moeten geven.
  7. Ik luister naar mijn favoriete muziek, terwijl _____________________.
  8. Hans en Kimberly zijn verliefd, dus __________________________.
  9. Ik zal mijn huiswerk maken, zodat __________________________.
  10. Omdat we niet getrouwd zijn, _________________________________.

Printen? Dat kan hier: Voegwoorden #1 B1

Deel 1.1: voorbereiding op staatsexamen I schrijven – online programma

Deel 1.1 – voorbereiding voor Staatsexamen I – schrijven

 1. Geef antwoord op de vragen.

Voorbeeld:

Wat doe je als de zon schijnt?

–          Als de zon schijnt, ga ik picknicken.

Wanneer ga je het staatsexamen maken?

–          Als ik genoeg geleerd heb.

  1. Waarom huppel je vandaag door de straat?
  2. Waar ga je heen als je op vakantie gaat?
  3. Wanneer vind je dat je goed Nederlands praat?
  4. Wat doe je als het regent?
  5. Wat doe je morgenmiddag?
  6. Wanneer ga je naar een feestje?
  7. Waarom ga je vroeg slapen?
  8. Waarom ben je zenuwachtig?
  9. Wat doe je als er geen les is?
  10. Wanneer ben je heel moe?
  11. Wanneer eet je heel veel?
  12. Waar wil je wonen als je een plek op de wereld mocht kiezen?
  13. Wat zou je doen als je kon toveren?
  14. Wanneer ben je verdrietig?
  15. Waarom zou je nieuwe kleren willen kopen?
  16. Wat doe je terwijl je eet?
  17. Wat doe je als je verliefd bent?
  18. Waar ga je sporten?
  19. Wanneer ga je sporten?
  20. Waarom leer je Nederlands?
  21. Wat doe je na het eten?
  22. Wat doe je voordat je gaat slapen?
  23. Welke dag van de week vind je het fijnst? Waarom?
  24. Wat doe je als je je vrienden ziet?
  25. Wanneer ga je werken?

2.
Stel je voor: je wil op vakantie. Je geliefde kan niet mee. Je wil graag dat een vriendin meekomt. Je moet haar overtuigen om met jou mee om vakantie te gaan. Je gaat naar Zweden. Geef drie goede argumenten waarmee je haar kan overtuigen.

Schrijf de brief. Denk aan de juiste voegwoorden.

 

 

 

1